|
Uitgangshoudingen
Meerdere
Veel mensen denken dat voor keepen een uitgangshouding bestaat. Dit is echter niet een goede gedachte. Als keeper moet jij je eigen uitgangshouding ontwikkelen: dit is de houding waarmee jij het snelst kan reageren(in alle opzichten). Als keeperstrainer kan je natuurlijk wel wat tips geven. Je moet altijd naar alle kanten kunnen bewegen en je eigen lichaam moet niet in de weg zitten. Ook moet je op het moment dat je in actie moet komen op je voorvoetjes kunnen staan, Zo kun je het snelste reageren. Verder moet je nooit direct te laag bij de grond gaan zitten omdat je zo op een bal die over je heen gaat niet snel genoeg kan reageren. Ook is het belangrijk hoe je armen staan. Bij ballen die naast je komen moeten je armen al iets naar de zijkanten staan. Dit is ook het geval bij de 1 op 1 situatie je moet jezelf breder maken en je al vrij dicht bij de grond zijn, Zo maak je jezelf breed en kan je de bal sneller onderscheppen als de speler je voorbij wil.
Duiken
Op de grond

De manier waarop je duikt is erg belangrijk omdat je hiermee vrij snel geblesseerd kunt raken. Het is erg belangrijk om dit dus ook veel te oefenen op keepertraining. Omdat de keeper hier op normale training niet op gewezen word moet je dit voor zijn. Als je de keeper veel laat oefenen met het duiken word het een automatisme waardoor hij de rest van zijn loopbaan beter terecht zal komen. Bij het duiken naar een bal over de grond zijn een paar dingen belangrijk. Zorg dat de keeper niet met zijn hele lichaam direct op de grond komt. De keeper moet vanaf het begin van zijn lichaam geleidelijk op de grond terecht komen. Eerst onderbenen, bovenbenen, zijn zij, schouder en hoofd(beter nog is het hoofd niet op de grond te laten komen).
Zweven

Zweven is een heel andere techniek dan het duiken over de grond. Bij zweven moet je echt kijken of het op dat moment wel nodig is. Bij zweven kom je erg hard op de grond terecht, daardoor is zweven erg blessuregevoelig. Bij zweven heb je geen bepaalde techniek, je moet vooral zorgen dat de keeper volledig strekt en dat hij de gang naar de grond niet te snel maakt( terecht komen op hoofd /nek). Verder moet je je beweging afmaken door te rollen(je maakt de beweging helemaal af zodat je de snelheid van je lichaam niet gaat tegenwerken) zo krijg je minder snel een blessure.
Stapje
Bij ballen die te ver in de hoek komen moet je meer afstand maken dan je met duiken kan overbruggen. Hierdoor moet je voordat je gaat duiken nog een extra stapje zetten. het is heel erg belangrijk dat keepers dit op jonge leeftijd leren(voor de c-ers). Een keeper die dit niet heeft geleerd voor de c-ers gaat automatisch al te snel naar de grond waardoor hij niet meer bij de bal kan komen. De keeper moet als de bal te ver is om direct te overbruggen dus een stapje de goede richting in zetten.
Insnijden (Schuin naar voren)
Als je duikt moet je zorgen dat je lichaam schuin naar voren op de grond komt. Zo voorkom je dat als de bal hard is dat je de bal niet klem kan pakken of dat hij als nog de hoek ingaat. Ook verklein je de hoek waardoor je de bal net verder naar buiten kan tikken als het nodig is. Vergeet dit onderdeel niet! Om een echt goede keeper te worden moet deze techniek aangeleerd worden. Op veel amateurclubs komt dit onderdeel te weinig aan de orde maar ik kan u verzekeren dat dit bij een profclub bijna het eerste is waar erg veel op geoefend word.
Vangen
Hoge ballen



Het Vangen van de keeper kan veel gevaarlijke aanvallen direct afbreken. Bij het niet vangen van de bal geef je de tegenstander een 2e kans, je moet dus altijd zorgen dat je het grootste gevaar vermijd. bij hoge ballen is het moeilijker in te schatten voor een keeper of de bal direct gevangen kan worden. Bij het bovenhands vangen moet je zorgen dat er niet te veel ruimte zit tussen je handen zodat de bal er niet door kan glippen. Ook moet je zorgen dat je van de twee buitenste vingers van je handen een driehoek maakt. Zo maak je een soort netje van je handen waardoor ballen gemakkelijk te vangen zijn. Als de bal gevangen is moet de bal zo snel mogelijk tussen de armen en de borst terecht komen, zo bescherm je de bal en jezelf.
Lage ballen


Bij lage ballen geld weer een heel andere techniek. Bij alle vangballen moet de bal uiteindelijk tussen je armen en de borst geklemd worden(je maakt een holletje van je armen en klemt de bal tegen de borst). Bij een bal laag over de grond staat de buitenkant van je armen naar de grond. Je steekt je armen naar de bal zodat je handen en armen onder de bal komen, Daarna klem je de bal op de borst. Is de bal erg hard of moet je inkomen omdat de aanvaller doorloopt dan laat je je na je loopactie naar voren vallen op je buik. Zo val je niet over je eigen benen en loop je de bal niet voorbij. Bij ballen tussen onderbuik en kin moet je een afweging maken om de van direct in het holletje van je armen op je borst te klemmen of om net als bij de hoge ballen te vangen en dan op de borst te klemmen. Je handen moeten dan uiteraard wel naar de bal toekomen.
Rollen


Bij het rollen van de bal naar een medespeler moet je keeper zorgen dat je bal niet gaat stuiteren. Hij moet dus helemaal meebewegen met de baan van de bal. De arm en hand moet dus ongeveer functioneren als een achtbaan. Zo gaat de bal in de zelfde lijn op de grond en gaat de bal niet stuiteren, De keeper hoeft hem dan alleen nog maar de juiste snelheid mee te geven.
Uitgooien
Bij het uitgooien gebruik je bijna dezelfde techniek als met het rollen. Je kunt de bal met de hand drukken zodat er op korte termijn veel vaart achter komt. Dit is erg handig als je dicht bij je de bal snel mee wilt geven. Verder heb je nog de bovenhandse en zijwaardse worp. De bovenhandse worp laat je paar boven je hoofd los. Dit wordt meestal gebruikt voor de lange afstanden. Je gooit je arm vanaf het begin helemaal achter je rug naar boven en laat hem op het hoogste punt vertrekken zodat je de vaart niet vermindert.Je houd je arm de hele tijd in 1 rechte lijn. De zijwaartse worp is iets anders. Je strekt de arm niet helemaal en laat de bal naast je hoofd los. Ook heb je nog een onderhandse worp die je kunt gebruiken voor de iets langere afstanden. Het is bijna hetzelfde als het rollen. De bal raakt alleen in het begin niet gerecht de grond maar gaat eerst een stukje door de lucht. Daardoor kan de bal geslingerd worden waardoor je hem meer vaart mee kunt geven.
Uitkomen
Je moet in meerdere situaties uitkomen. Maar de actie die je moet maken is niet altijd hetzelfde. Je kunt door het uitkomen bijvoorbeeld direct onderscheppen maar de aanvaller kan ook op je afkomen. Door je armen laag te houden en iets door je knieën te gaan maar je jezelf al een stuk breder. Zorg er wel voor dat de keeper niet te veel afstand houdt tussen de aanvaller en zichzelf. Zo kan de aanvaller namelijk makkelijker passeren en kan de aanvaller de bal over de keeper heen plaatsen. Je duikt pas op de bal als je helemaal zeker bent dat je hem hebt. Drijf hem anders naar de zijkant zodat je de goal kleiner maakt en de verdediger de aanvaller weer kan oppikken.
|